*Note van de auteur
Ze zal geen Johanna hebben geheten, maar ze gaf me die vibe.
Mijn tip, als je niet overprikkeld bent door de dag, is het om af en toe
zonder oordopjes (of met oordopjes in maar zonder geluid) de mensen
om je heen te beluisteren.

Daar krijg je soms zulke parels voor terug.

Johanna

‘t Kind zat met één voet tegen de muur van de trein richting Amsterdam.
Haar bruine stroeve haren in een rommelige prop onder een elastiek.
Zwarte nonchalante broek, een geruit opa jasje en afgetrapte New Balance.
Ze belde en het was me niet helder met wie.
Een vriendin, een ouder of tegen niemand en wilde ze gewoon haar gedachten hardop kwijt en de telefoon bleek haar redmiddel.

Het gesprek ging van hot naar her en bevatte een snelheid waar je duizelig van werd.
Als er iemand aan de andere kant van de lijn zat, kreeg-ie er geen woord tussen. Misschien was het haar therapeut.

Het begon bij een tentamen wat ze met twee vingers in d’r neus kon. Ze was in driekwartier al klaar, terwijl er tweeënhalf uur voor stond.
Daar was ze eerst onzeker over, maar ze haalde toch 93%.

Ik dwaalde af naar wat ik vanavond ging doen en hoe dat zou zijn. Mijn eigen gedachten vond ik ook interessant en naast dit meisje in haar spraakwaterval zwemmen vereist olympisch goud.

Toen ik weer bij Johanna aankwam, ik mag haar Johanna noemen, was de monoloog een nieuwe richting opgegaan.

Ze had pijn in een vinger.
De pijn ging niet over en daardoor moest ze denken aan die keer dat ze op werk een domme collega, een jongere jongen uiteraard, had wijsgemaakt dat paracetamol, zodra afgebroken, reist naar de plek van de pijn.
Ze zei dat ze wel vaker dit soort onzin deelt op haar werk. Wie kent haar daar nou echt? Ze vond gerookte burrata lekker en met Niels had ze weer ruzie.

Ik vroeg me af of ze hapjes zouden serveren waar ik heen ging en of die lekker zouden zijn. Ze zouden niet vullen, maar dat is dan maar wat het is. Je hoeft ook niet elke dag vol te zitten.

Hoe hard ik ook probeerde me te focussen op de hoop op een bitterbal, knalde Johanna er toch weer doorheen. Ze had de tijd gevonden in haar verhaal om te luisteren naar de andere kant.
Die moest vooral wat meer op d’r strepen gaan staan en meer in zichzelf gaan geloven. Zij vond het in ieder geval onzin dat de ander zoveel loog tegen zichzelf en dat diegene Hugo moest laten gaan.
Hij zou toch nooit veranderen.

De trein kreeg vertraging, waardoor ik te laat zou komen op mijn afspraak.
Mijn rug werd warm van die gedachte en Johanna’s denderende treintekst ergerde me net zoveel als dat het me interesseerde.
Voorzichtig probeerde ik haar kant op te kijken. Ze had een grote ronde bril en droeg oorbellen die van haar oma waren geweest.

Ze zei dat ze nog vijfenveertig minuten moest tot haar stop en dat ze bang was om in slaap te vallen en niet meer wakker te worden.
Dat vond ik wat dramatisch, maar volgens mij bedoelde ze dat niet zo.

Het was wel mijn stop.
Ik liet haar los.
Ik hoop dat ze niet in slaap viel.
Ondanks dat ik haar niet zo sympathiek vond,
lijkt het me toch zonde als ze nooit meer wakker werd.

Die arme Johanna.

*note van de auteur
Vind je dit overigens een leuke tekst?
Ik heb er nog veel meer. Die vind je bij de rest van de teksten.

Vind je het zelfs heel leuk?
Deel het, of laat het me weten. Vind ik enig.

(sorry voor al het vinden. Vind ik ook wat van)

Plaats een reactie