*Note van de auteur
Ja, het is Halloween.
Krijg je dit.
Ik weet niet of ik doorschrijf, misschien wel.
Vind het best een leuk begin, zo.
Wat vind je?
Huize Git.
Zijn fiets stond nog op dezelfde plek.
Gelukkig, dacht-ie, want hij wist het niet meer zeker.
De nacht was wild en zonder narratief geweest,
maar dat er was gelachen, gedanst, genoten en gebruikt, wist-ie dan weer wel zeker.
Het was bijna vier uur en de avond zou nog voortduren,
De vriendengroep was nog lang niet klaar,
Maar hij moest vroeg in de ochtend echt ergens zijn.
Een afspraak.
Een oriënterend gesprek in Huize Git voor een feest.
Hij was al jaren geen cateraar meer, maar toen de mail binnenkwam
om in dat befaamde huis een feest te organiseren, kon-ie het niet aan zich
voorbij laten gaan.
Dus er werd gefietst nog voor het eind van het nachtelijk gedans.
Op dit moment had-ie meer zin in nog een biertje, een stiekem lijntje
en kijken of-ie Evan mee naar huis kon lullen, maar nee.
Er moest verantwoordelijk worden geleefd.
Er stond een grote klus te wachten.
En eveneens nog meer geld.
De eigenaar van Huize Git, ene meneer Algol, bood drie keer zijn normale tarief en dat was
nog voor hij had kunnen onderhandelen.
Dus een ja was snel gegeven.
Wankel stapte-ie op zijn fiets en maakte de route huiswaarts.
De nacht was nog zo donker en hoewel de laatste drie drankjes
alcoholvrij waren, voelde-ie toch dat het uitgaan hem van z’n
evenwicht had beroofd.
De alsmaar pratende stad werd snel uit gefietst, die route kon-ie dromen.
Studenten ontwijken, beetje naar de sfeer luisteren, hij vond het heerlijk.
Het was niet koud, maar ook niet bepaald warm.
Al helemaal niet toen de stad een kilometer of twee achter ‘m lag.
Ja, hij was de enige van de groep die expres de stad uit was verhuisd, zodat er een huis kon worden gekocht. Maar daardoor moest-ie nu wel vijfendertig minuten fietsen.
Ga dan ook elektrisch, zei iedereen.
Dat hoefde niet vond-ie.
En het voordeel was dat-ie waarschijnlijk nuchter thuis zou komen.
Geen kater om negen uur ’s ochtends.
Hij kon meneer Algol met fris hoofd in de ogen kijken.
Hij woonde nog niet zolang in zijn bescheiden jaren dertig woning en moest
tussen stad en dorp in een stukje door weilanden en een bossig-uitziend gebied.
Een onbehaaglijk gevoel kwam altijd over hem heen als hij ’s nachts daar fietsen moest.
Een man met een zwarte nette jas fietste hem voorbij,
zijn schoenen waren zo netjes gelakt, dat het maanlicht weerspiegelt werd.
Hij naderde het bospad en pakte, onder het fietsen door, uit zijn binnenzak
zijn oordopjes.
Rommelig probeerde hij ze uit hun doosje te pakken, zijn fiets zwaaide wat onbeheerst over het verlaten fietspad, maar het lukte hem wel.
Toen-ie goed opkeek, merkte hij het eerst niet op.
Het bospad was een bospad en waarom zou een bospad er ineens anders uitzien.
Hij was toch nog een beetje aangeschoten, vond ie.
Het was donker.
De realiteit speelde met zijn ogen.
Maar toch kwam deze boom hem écht niet bekend voor.
Hoofdschuddend reed-ie door.
Het was een kinderlijke angst.
Morgen, als de zon weer schijnt, is elke boom gewoon weer normaal.
Een tweesplitsing in de weg verraste hem oprecht.
Die was er echt heus eerlijk nog nooit geweest.
Een tweesplitsing.
Hij stopte even en keek om zich heen.
Achter hem leek de wereld verzwolgen te zijn door de nacht.
Om hem heen louter bomen.
Voor hem ligt ineens een tweesplitsing.
Hoe bedoel je; een tweesplitsing?
Teruggaan dan maar, dacht ie.
Hij moet iets verkeerd hebben gedaan terwijl hij die oortjes in deed.
De blije poptonen van het liedje dat hij willekeurig had aangetikt
stoorde hem nu ontzettend.
Hij deed zijn muziek weer uit en de oortjes terug in zijn jas,
terwijl ie zijn fiets omdraaide.
Hij fietste de donkerte in, op de een of andere manier deed zijn licht vrij weinig hier.
Er kwam iets zijn kant op gefietst.
Gelukkig maar, dacht ie. Dan is ie niet ineens de leegte ingereden. Of het grote niets.
Of zal daar geen verschil in zitten?
Er fietste een man voorbij in een nette zwarte jas en blinkende schoen-
Wacht.
Die man was hem al eerder voorbij gefietst.
Dat wist ie dan ook wel weer zeker.
‘Meneer?’
De man leek hem niet te horen en reed door.
Hij schudde het van zich af, misschien was die meneer gewoon even iets vergeten,
en fietste door.
Om langzamerhand… bij een tweesplitsing uit te komen.
Dezelfde splitsing.
Had iemand hem in zijn roes in een sneeuwbol gedaan?
Een aquarium?
Was dit een soort delirium?
Iets in hem zei dat de enige manier voorwaarts een richting kiezen was.
Hij ging naar links, omdat zijn intuïtie naar rechts zei en hij nooit op zijn
intuïtie vertrouwen kon.
Het bospad hield daar vrij snel op.
Doorfietsen was een uitdaging en hij besloot dat hij niet meer van uitdagingen hield.
Hij ging naar rechts.
Zijn horloge gaf half vijf aan.
Half vijf.
Hij had al minstens tien minuten thuis moeten zijn.
Dit bospad ging op zijn minst wel door en het leek rechtdoor te gaan.
Misschien had-ie alles wel verzonnen wat er net gebeurd was.
Niet dat-ie dit pad herkende.
Het was in ieder geval niet raar.
Bomen maakte aan zijn linkerkant plaats voor een gietijzeren hek.
Een heel groot, massief, zilver, gietijzeren hek.
Aan de rechterkant niks anders dan bomen.
Het bospad was hier bezaaid met dennenappels, kastanjehulzen, kleine steentjes.
Stilstaan leek gewoon geen goed idee.
Het beste was door te fietsen net zolang tot-ie wakker werd
en het morgen opnieuw te proberen.
Toch ging dat fietsen niet langer.
Een steentje, dennenappel of scherp stukje van zo’n kastanjehuls bleek fataal voor z’n achterband.
Hoewel hij geen behoefte voelde om af te stappen, werd fietsen langzamerhand
gewoon niet meer gangbaar.
Er moest worden gelopen.
Met de fiets aan de hand en een steeds zwaarder wordend paniekgevoel liep-ie door.
Hij moest wel.
In het hekwerk zat nu een poort.
Er zal wel iemand achter wonen.
Deftig, dacht-ie.
Maar ook vreemd..
Zou die persoon zelf weten dat-ie in een zakdimensie woont?
Achter de poort stond een fiets.
Naast de fiets een man.
Een man met een nette zware jas en blinkende schoenen.
De man had nonchalant zijn handen in zijn zakken en keek
naar hem alsof de man hem aan het opwachten was.
‘Goedenavond’ zei onze fietser die nu niet meer aan het fietsen was.
Hij hoopte dat-ie het zo oninteressant mogelijk had gezegd.
Zodat de meneer hem een aardig knikje zou geven en dan zou zeggen
‘Hou vol hoor, je bent bijna thuis’.
Maar de man keek hem aan met een kleine glimlach.
Onze verdwaalde hoofdpersoon stopte met lopen.
‘Lekke band’ zei hij.
‘Dat hindert niet, meneer Vorp. U bent precies op tijd. Meneer Algol wacht al op u in de zitkamer.’
Hij was, vraag me niet hoe want tot op de dag van vandaag kan ik het je niet vertellen, gewoon naar Huize Git gefietst.
Of was het huis naar hém gekomen?
Wordt eventueel vervolgd.
*note van de auteur
Vind je dit overigens een leuke tekst?
Ik heb er nog veel meer. Die vind je bij de rest van de teksten.
Vind je het zelfs heel leuk?
Deel het, of laat het me weten. Vind ik enig.
(sorry voor al het vinden. Vind ik ook wat van)

Geef een reactie