*Note van de auteur
Hanneke zat me aan m’n mouw te trekken.
Ze wilde weer wat kwijt.

Wat haar betreft hebben we het te weinig over het weer.
Ze neemt je mee op reis door de vier seizoenen.
Ik laat het bij jou, lieve lezer, of je haar vergelijkt met Vivaldi of de pizza.

De bedenkingen van Hanneke Hulzebosch.
2. Wat ’n weer, hè?

De herfst is begonnen, nou nou.
De regen klotst tegen de ruiten, de wind probeert je met al zijn macht
van je fiets te pleuren en de kou sijpelt naar binnen.
Ik ben zo iemand die het idee van seizoenen waarderen kan.
Dat ik even op de bank kan liggen kniezen en me kan ergeren
aan dat het momenteel even niet in orde is.

Voor mij kent het jaar welgeteld vier mooie dagen.

De eerste dag van de winter.
Alles is zo kraakhelder blauw en wit, ook als het niet sneeuwt.
En de eerste ijspegels beginnen zich te vormen.
De lucht ruikt rustig en sereen en alle vogels zijn vertrokken naar
zuidelijkere oorden.
Mijn buurvrouw, Jansie, ook.
Die gaat meestal rond de Intocht acht weken naar haar
appartementje in Albufeira.
Zij komt altijd terug met zo’n geniepig lachje op
dat smoelwerk van d’r.
Dat je er zeker van kunt zijn dat ze zich heeft laten
doorpalen door minstens vier grote onbekende mannen.
En geef d’r eens ongelijk.
Hoewel… ik moet er niet aan denken… Jansie..
Edoch, begint de winter heerlijk rustig.

Dan heb je uiteraard de eerste dag van de lente.
Die winter duurt altijd zo lang.
Eigenlijk duurt elk seizoen te lang, maar als je er in zit is het toch écht vreselijk, nietwaar?
Dus na al dat lange wachten en vriezen dat het kraakt
en al je truien zijn echt wel genoeg gedragen
en dat uitglijden onderweg naar de supermarkt is ook wel weer leuk geweest
en niemand wil meer een oliebol.
Sowieso niet, want vanaf januari verandert m’n omgeving in een bende
nee-zeggers en binnenblijvers.
Moet ik zeker een boek gaan lezen?
Dan mis ik Jansie wel.
Maar die heeft d’r mond vol in Albufeira.

O ja, de lente, dus.
Ja, dat is toch heerlijk.
Het zonlicht begint al te verwarmen.
Er komen wat vogels terug in de vroege uurtjes, terwijl je nog in je pamper op bed ligt.
Ik niet, hoor. Ik heb een heel deftig roze peignoir.
Is nog van m’n moeder geweest.
Vertel ik later nog wel over.
En als je dan zo door je buurtje wandelt, komen de mensen weer hun huis uit.
Die eerste dagen laten de knapste mensen zich meestal zien.
Die zie je ook maar zes tot tien dagen per jaar.
De rest van de tijd moet je ’t doen met het plebs.
Of met Jansie…

Nou, daaropvolgend – nogal wiedes – de zomer.
Moet ik eerlijk bekennen, daar heb ik niks mee.
Die eerste dag is nog wel oké, maar ik weet gewoon vanaf dag één:
Dat word weer je string uitzweten waar je bijstaat.

Maar die eerste dag… Dan ga ik nog wel op een terras zitten met een Bessen IJs.
Het fijne aan de zomer is ook dat je geen boek hoeft te lezen.
Dat willen mensen pas op vakantie doen tegenwoordig.
En ik ga niet echt op vakantie.
’t Is hier al heet zat.
Dus ik lees een licht magazine, terwijl ik alle avonturen van Jansie hoor.
Die had uiteraard een Lentesliefde, meestal een enige jonge knul, maar
zodra dat kwik stijgt boven de 25 graden gooit ze ‘m eruit.
Dan wil ze rouleren en sta ik op speeddial voor alle verhalen.
Dus dat kletst lekker weg die eerste dag.
Ben ik ook weer eens dronken.
Heb ik dat ook weer gehad.

Maar dan gaat die zomer meteen zo trekken, hè?
En Jansie trekt ook maar door.
God, wat kan die meid trekken.
’t Enige wat ik nog trek op die hete dagen is eigen gemaakte ijsthee.
Toen ik nog wat jonger was, had ik ook nog wel verzetjes.
Maar toen waren de zomers ook niet zo snik als nu.

Gelukkig komt dan de herfst.
Vind ik eigenlijk enig.
Het licht wordt lekker rooibos-achtig.
En het is nog aangenaam en de regen is welkom.
En ik zie Jansie al plannen maken om weer een paar weken de Rodeo te bezoeken
in Portugal.

Maar voor je ’t weet lig ik dus in standje knies
En knies ik me het ongans over betere tijden,
terwijl de winter dan nog komen moet.

Er zijn dus landen, ik ken ze niet, maar er zijn dus landen waar ze maar één, hooguit twee, seizoenen kennen. Kun je dat bedenken? Sjonge, jonge, jonge.
Dan duurt dat ene seizoen dus standaard een half jaar te lang.
En dat andere seizoen eigenlijk ook.
Of van die plekken waar ze over zeggen ‘daar schijnt altijd de zon’.
Dat lijkt me toch zo saai.
Over wat moet je dan klagen?

Een paar straten verderop woont een heel aardige jongeman.
Ik noem ‘m even Frits, voor het gemak.
En Frits. Dat is een waanzinnige flamboyante nicht.
Alleen z’n vrouw weet dat nog niet, dus vertel het even niet verder.
En die leest van die rare boekjes.
Nee, ja, niet zulke.
Maar van die boekjes over pompkin spice latte café’s en jongens die
In een curling team zitten en dan heimelijk verliefd op elkaar zijn en
Beschrijvingen van gespierde lijven in kleedkamers.
Nou ja, dus eigenlijk wel zulke boekjes.
Ik denk dat ik er zo één van ‘m ga lenen.
Dan lees ik wel wat.
Maar dan lees je toch weer niet, snap je?

Heb ik ook weer wat te doen deze herfst.

*note van de auteur
Vind je dit overigens een leuke tekst?
Ik heb er nog veel meer. Die vind je bij de rest van de teksten.

Vind je het zelfs heel leuk?
Deel het, of laat het me weten. Vind ik enig.

(sorry voor al het vinden. Vind ik ook wat van)

Geef een reactie