*Note van de auteur
Ik heb besloten dat we elke woensdag een gastredactrice krijgen.
We trappen af met Hanneke Hulzebosch, zij zal vaker willen schrijven.

Hanneke is een bruisende meid van een zekere leeftijd en heeft een
zekere mening over de dingen en de zaken. Ze mijmert. Ze denkt na.
Ze is Hanneke.

Deze eerste tekst gaat over de liefde. Mooi, hè?

De bedenkingen van Hanneke Hulzebosch.
1. Herman en Rietje.

Laatst was ik heel erg in mijn sas.
’t Was heus waar één van de mooiste geluksmomenten des levens.
Ik werd er haast poëtisch van.

Het was een zonnige herfstdag. Zo één waarvan je weet;
geniet er nog even van, Han, want dit moment duurt altijd zo kort.
Voor je het weet is het de verkeerde kant van de herfst.
En daaropvolgend komt die klotekou.

Dus. Ik liep buiten met mijn boodschappenkar.
Noem me ouderwets, maar ik vind dat een handig apparaat.
Zoals ik zei, het was zonnig en mijn wandeling was supermarktwaarts.
Ik liep gewoon met mijn gedachten.
(Of, eerlijk, ik liep te denken of het nou gedachten of gedachtes waren
die ik had.)

En toen ik zag ik ze, daar over de Maliebaan.

Hij, in zo’n iets te strakke beige broek gestoken, met zo’n
gevlochten bruine riem.
(Ordinair, maar soit. Het zij gezegend.)
Zijn donkerblauwe pullover hing quasi-Gooisch over zijn schouders en stak
romantisch af tegen zijn pastelroze overhemd.
Hij had goed geboerd, maar dat hinderde niet.
Hij had ook veel geld, denk ik zo, dus dan mag je boeren tot je een ons weegt.

En hoewel ik niet in mijn sas raakte van hem, was hij toch een deel van mijn geluk.
Want naast hem liep een vrouw.
Een vrouw die ik herkende van mijn jaren die ik al woonachtig ben in de Domstad,
wat mijn hele leven is.
Zij had een gezonde teint op de wangen, een schitterend recht gebit en een
haarkleur die zo knisperfris was, dat het opging in het bladerdak
van de -op ons afstortende- herfst. Haar outfit was expres en gestijld op
zo’n wijze dat ze heel duidelijk maakte; ik hoor bij hem zoals hij bij mij hoort.

Dat was heel wat anders dan de laatste keer dat ik haar zag.
Het moet jaren terug zijn geweest, dacht ik toen.
Ik ging, zoals een mens dat moet, supermarktwaarts met de kar.
Maar toen was haar gelaat grauw en grijs en vol ongelukkige groeven.
Ze miste minstens twee kiezen en een snijtand en het kapsel was dieptreurig
Ongekamd, stoffig, onbemind.
Zij kwam op de mensen af in een dieproze jas van een V&D collectie
uit 2002 en reclameerde aan de mensen
‘U kunt het niet aan mij zien, maar ik ben dakloos..’
Gelukkig was ik nooit op mijn mond gevallen, als kind al niet.
(Hoewel die ene keer dat ik van mijn fiets viel was de klap op mijn vooraanzicht het zwaarst. Maar dat daargelaten.)
Dus zei ik dat het redelijk goed zichtbaar was en dan begon ik op te sommen waaraan je het allemaal zag.
Waarop zij kwaad werd.
Waarop ik kwaad werd, omdat ze, naar mijn mening, niet zo beledigd hoeft te zijn als ik louter de feiten oplepel.
Waarop zij moest lachen om mijn tekst.
En ik om haar.
En dan lachten we weer samen.
En daarna moest ik weer door, want de stank was onhoudbaar om haar persoon.

Maar nu, het moet jaren later zijn, dacht ik
Nu was er een liefde op haar pad gekomen.
Ik fantaseer dat het als volgt is gegaan:

Zij stond daar, met haar centenbak en haar open hand, te rillen in de februarikou,
toen hij uit zijn bolide gestapt kwam.
En wat een bolide had hij.
Ik denk een Saab.
Zo één die je meer kost dan dat het je oplevert, dus dan weet je altijd dat het iemand met goed geld is.
Hij loopt op haar af, doelbewust. Hij weet dat zij hier staat.
Dan pakt hij haar bij de schouder vast en draait haar naar hem om.
Hij zegt ‘Rietje?’
Ik denk dat zij Rietje heette.
Hij zegt ‘Rietje?’ En dan herkent zij hem niet.
Maar dan duurt het even en vullen haar ogen zich met tranen.
Zij zegt, of zegt… zij fluit ‘Herman?’
En dan is die man dus Herman.
En dan vallen ze elkaar in de armen.
Hij gooit een deken over haar schouders, pakt haar bij haar hand
En begeleidt haar de Saab in.


Wat ik dan zo bedenk
(dat zien wij niet in mijn fantasiebeeld maar het is fantasie dus ik mag het invullen als zodanig)
is dat zij elkaar nog kennen van een dramatische affaire.
Die afliep in een ruzie en dat zij vluchtte van zijn landgoed, omdat hij een slechte bui had
Of de kat had laten euthanaseren zonder haar goedkeuren.
En zij was de weg kwijt geraakt.
Het spoor bijster.
In haar nieuwe jas uit de Vroom&Dreesmann.

Dat het hem vervolgens vierentwintig jaar koste haar terug te vinden, dat is me een raadsel.
Maar ook daar kan ik voldoende over vol fantaseren.
Een liefdeskroniek.
Maar dat zal ik u besparen.

Terwijl ik mijmerend over de Nachtegaalstraat liep, in mijn nopjes dat
Rietje en Herman elkaar weer gevonden hebben.
Dat echte liefde nog bestaat.
Dat het nog zin heeft om in een romance te geloven.
Komt er een roze vlek in mijn blikveld.

Ze steekt haar hand uit.
En zegt
‘U kunt het niet aan me zien, maar ik ben dakloos…’

Was getekend,
Hanneke Hulzebosch.


*note van de auteur
Vind je dit overigens een leuke tekst?
Ik heb er nog veel meer. Die vind je bij de rest van de teksten.

Vind je het zelfs heel leuk?
Deel het, of laat het me weten. Vind ik enig.

(sorry voor al het vinden. Vind ik ook wat van)

Plaats een reactie